De Hoge Raad oordeelt dat op de inspecteur de last rust om aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf hij het aanslagbiljet heeft aangeboden en wanneer. X betwist namelijk dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ter post is bezorgd.

De inspecteur legt met dagtekening 13 april 2023 een BPM-naheffingsaanslag op aan X. De inspecteur ontvangt het bezwaar van X tegen deze naheffingsaanslag op 20 juni 2023. Het bezwaar wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat het niet tijdig is ingediend. Rechtbank Den Haag (12 april 2024) verklaart het beroep ongegrond. Volgens de rechtbank bestaat er namelijk geen aanleiding om aan te nemen dat de verzending van de naheffingsaanslag later dan 13 april 2023 heeft plaatsgevonden, zodat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend. Het verzet van X wordt vervolgens ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank was er namelijk geen noodzaak om onderzoek te doen naar de (tijdige) verzending van de naheffingsaanslag. Dat X stelt dat de naheffingsaanslag bij de buren is bezorgd, is niet van belang volgens de rechtbank omdat het aannemelijk is dat de inspecteur de naheffingsaanslag voor of op 13 april 2023 heeft verzonden. De rechtbank merkt daarbij ook nog op dat X niets heeft gesteld over de datum waarop de naheffingsaanslag zou zijn bezorgd. X gaat in cassatie.

De Hoge Raad oordeelt dat op de inspecteur de last rust om aannemelijk te maken aan welk postvervoerbedrijf hij het aanslagbiljet heeft aangeboden en wanneer. X betwist namelijk dat het aanslagbiljet voor of op de datum van dagtekening ter post is bezorgd. Omdat de inspecteur in de beroepsprocedure heeft aangegeven dat hij geen registratie bijhoudt van de verzending, moet ervan worden uitgegaan dat de naheffingsaanslag niet voor of op 13 april 2023 is bekendgemaakt. De bezwaartermijn van zes weken vangt dan pas aan op de dag waarop X de naheffingsaanslag onder ogen heeft gekregen. De zaak moet daarom worden verwezen. In verband met de vaststelling van de hoogte van de proceskostenvergoeding houdt de Hoge Raad de zaak vervolgens eerst nog aan.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 3.41

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 20 april

Informatiesoort: VN Vandaag

261

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen