X ontvangt op 8 september 2023 van Y (de schenker) alle aandelen in W BV, die de deelnemingen in de objectieve onderneming houdt. Y houdt alle aandelen in X BV, die tot 14 december 2020 80% van de aandelen in Y BV houdt, terwijl Z BV 20% houdt. Op 15 december 2020 koopt Y BV het 20%-belang van Z BV in, zodat het indirecte belang van Y in de onderneming van 80% naar 100% stijgt. In 2023 vindt vooroverleg plaats over de waarde van de aandelen en toepassing van de BOR. In de aangifte schenkbelasting claimt X de BOR voor 100%. De inspecteur weigert de BOR voor de 20%-toename en legt een aanslag schenkbelasting op van € 138.349. X gaat in beroep.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inkoop van het 20%-belang door Y BV ertoe leidt dat de subjectieve gerechtigdheid van de schenker tot de objectieve onderneming toeneemt van 80% naar 100%. Voor deze toename geldt een eigen indirecte bezitstermijn van vijf jaar, waaraan niet is voldaan, zodat de BOR slechts voor 80% van de ondernemingswaarde geldt. De rechtbank verwijst onder meer naar HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:647, V-N 2023/19.6, over de uitbreiding van het relatieve aandeel in de onderneming en leidt daaruit af dat het bezitsvereiste per vermogensbestanddeel geldt. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat X niet aannemelijk maakt dat de inspecteur in het vooroverleg toezegt de BOR op 100% toe te passen. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting
Editie: 27 april
Informatiesoort: VN Vandaag