X is in 2020 gehuwd met zijn ex-partner. Een advocaat staat X in de echtscheidingsprocedure bij en brengt in 2020 honorarium in rekening dat deels ziet op partneralimentatie. X doet aangifte IB/PVV 2020 met een persoonsgebonden aftrek van € 18.760 wegens betaalde alimentatie en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 43.005. De inspecteur kondigt een correctie van de persoonsgebonden aftrek aan en legt een aanslag op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 11.223 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 50.542. In geschil is of X de opgevoerde uitgaven als persoonsgebonden aftrek wegens onderhoudsverplichtingen jegens zijn ex-partner in 2020 kan aanmerken en of de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen over dat jaar juist vaststelt.
Hof ’s-Hertogenbosch oordeelt dat geen van de door X gestelde uitgaven kwalificeert als aftrekbare uitgaven voor onderhoudsverplichtingen. De kosten van meegenomen inboedel vormen geen periodieke uitkering, de advocaatkosten zien op verweer tegen een alimentatieverzoek en de woning staat de ex-partner niet op grond van een familierechtelijke of dringende morele verplichting ter beschikking. Verder oordeelt het hof dat X het werkelijke rendement over zijn box 3-vermogen in 2020 niet met concrete gegevens onderbouwt en dat de aangevoerde alimentatie- en verrekeningsschulden in 2020 niet als schulden in box 3 meetellen, zodat de inspecteur het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen juist vaststelt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.108
Instantie: Hof 's-Hertogenbosch
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 27 april
Informatiesoort: VN Vandaag