X, erflaatster, is gehuwd met Y in 1971 buiten iedere gemeenschap van goederen. Y is sinds 1984 enig aandeelhouder van A BV (Holding), die alle aandelen in B BV (Bloemhandel) houdt. X en Y wijzigen hun huwelijkse voorwaarden naar een algehele gemeenschap van goederen per 15 november 2019. X overlijdt in 2020. Uit de jaarstukken van zowel de Holding als de Bloemhandel blijkt dat sinds 2015 geen activiteiten plaatsvinden en geen omzet bestaat. De inspecteur legt aan X een aanslag IB/PVV 2020 op met een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 241.893. In geschil is of sprake is van een fictieve vervreemding van een aanmerkelijk belang en of de doorschuiffaciliteit van art. 4.17a Wet IB 2001 toepasbaar is.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat sprake is van een fictief vervreemdingsvoordeel. De aandelen in de Holding vallen ten tijde van het overlijden in de huwelijksgemeenschap waardoor X voor de helft aanmerkelijkbelanghouder is. De doorschuiffaciliteit is niet van toepassing omdat geen materiële onderneming bestaat. Sinds 2015 verrichten de Holding en de Bloemhandel geen activiteiten en wordt geen omzet behaald. Van een medegerechtigdheid is evenmin sprake. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.16
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 22 juli
Informatiesoort: VN Vandaag