X BV maakt bezwaar tegen de door haar op aangifte voldane BPM met het oog op de registratie van twee personenauto’s in het Nederlandse kentekenregister. De inspecteur verklaart het bezwaar gegrond en verleent een BPM-teruggaaf. Hij kent vervolgens een proceskostenvergoeding toe en ook wordt nog belastingrente vergoed. In beroep voert X BV aan dat zij recht heeft op een hogere rentevergoeding. Rechtbank Den Haag oordeelt dat X BV geen recht heeft op een hogere rentevergoeding en voor zover zij van mening is dat dat wel het geval is, dat zij zich dan moet wenden tot de ontvanger. Het beroep wordt ongegrond verklaard. Hof Den Haag bevestigt de uitspraak van de rechtbank. X BV gaat in cassatie en voert daarbij diverse klachten aan. Zij stelt onder andere dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat X BV zich voor vergoeding van de Irimie-rente ex art. 28c IW 1990 moet wenden tot de ontvanger.
De Hoge Raad oordeelt dat de ontvanger bij uitsluiting bevoegd is om bij voor bezwaar vatbare beschikking vast te stellen of en in hoeverre op grond van art. 28c IW 1990 invorderingsrente wordt vergoed. Dit volgt uit art. 30 lid 1 IW 1990. De Hoge Raad merkt daarbij op dat de belastingrechter sinds 1 januari 2015 niet bevoegd is om de inspecteur te gelasten om over in strijd met het EU-recht geheven belasting meer rente te vergoeden dan het bedrag dat de inspecteur op grond van art. 30ha AWR moet vergoeden. Ook is er volgens de Hoge Raad geen reden om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie. Op de stelling van X BV dat het oordeel van het hof dat de Irimie-rente alleen op verzoek van de belastingschuldige wordt uitbetaald, hoeft ook niet te worden ingegaan.De Hoge Raad stelt X nog wel in het gelijk met betrekking tot de proceskostenvergoeding voor de bezwaarprocedure. De inspecteur heeft namelijk ten onrechte slechts € 265 per punt vergoed in plaats van € 534. De Hoge Raad houdt de zaak vervolgens aan om X BV in de gelegenheid te stellen om te onderbouwen waarom haar geval met het oog op de proceskostenvergoeding voor de cassatieprocedure is aan te merken als een bijzonder geval. Verder wordt de Staat in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het verzoek van X BV om een ISV voor de cassatieprocedure in verband met undue delay.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30HA