Voor de beoordeling of sprake is van laagbelaste vrije beleggingen wordt geen rekening gehouden met de CFC-heffing bij de belastingplichtige. Dat staat in een standpunt van de Kennisgroep deelnemingsvrijstelling.

Een belastingplichtige houdt een deelneming in een gecontroleerd lichaam als bedoeld in art. 13ab Wet VPB 1969. Deze deelneming wordt als belegging gehouden in de zin van art. 13 lid 9 Wet VPB 1969. Het gecontroleerde lichaam voldoet niet aan de onderworpenheidstoets van art. 13 lid 11 onderdeel a Wet VPB 1969. De bezittingen van dit lichaam bestaan voor meer dan de helft uit vrije beleggingen als bedoeld in art. 13 lid 12 Wet VPB 1969. Ter zake van deze deelneming neemt de belastingplichtige voordelen (€ 5) in aanmerking op grond van art. 13ab Wet VPB 1969 (CFC-heffing). Daarnaast behaalt de belastingplichtige een valutavoordeel (€ 100) op deze deelneming.

De deelnemingsvrijstelling is niet van toepassing op het valutavoordeel. De deelneming is namelijk geen kwalificerende beleggingsdeelneming. Naast dat niet wordt voldaan aan de onderworpenheidstoets wordt ook niet voldaan aan de bezittingentoets. De CFC-heffing maakt dit niet anders.

Wetingang:

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13

Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13AB

[Nieuwsbron]

Rubriek: Vennootschapsbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 22 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

17

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen