COO X doet in 2013 mee aan een managementparticipatieplan van zijn werkgever. Hij verkrijgt daartoe aandelen met putopties die hem het recht geven om de aandelen te verkopen tegen de op het verkoopmoment geldende marktwaarde. De koopprijs wordt deels gefinancierd met een lening van de werkgever. In verband met haar slechte financiële situatie stelt de werkgever in 2016 een plan op. Hierbij krijgt X de mogelijkheid om, via een putoptie, de aandelen tegen de originele aankoopprijs te verkopen. In zijn IB-aangifte 2017 geeft X een verlies uit lucratief belang aan van € 870.000. Volgens X vormen de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een dusdanig samenhangend geheel dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt en dat de aandelen daarom als lucratief belang moeten worden aangemerkt. De inspecteur corrigeert de aangifte op het punt van het verlies uit lucratief belang.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat X geen verlies uit lucratief belang lijdt. De inspecteur heeft de aangifte terecht gecorrigeerd op dat punt. Volgens de rechtbank maakt X niet aannemelijk dat de verkrijging van de aandelen in 2013 en de verkrijging van de putopties in 2016 een dusdanig samenhangend geheel vormen dat de putopties uit 2016 als een voorzetting van de putopties uit 2013 moeten worden aangemerkt en dat de aandelen daarom als lucratief belang moeten worden aangemerkt. De rechtbank overweegt daarbij dat X met het verkrijgen van de putopties uit 2013 een investeringsrisico heeft gelopen. De putopties uit 2016 zijn echter alleen maar afgegeven om een vermogensverlies op de aandelen bij X te voorkomen. Bij het uitoefenen van die putopties heeft X geen enkel investeringsrisico op de aandelen gelopen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.92B
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 22 juli
Informatiesoort: VN Vandaag