Twee dochters, X en Y, zijn voor een gelijk deel erfgenaam van een minderheidsbelang van 31% in een holding. De werk-BV van de holding heeft een winkelpand dat al generaties in bezit is van de familie. Na verbouwing wordt het pand verhuurd. De marktwaarde van het pand bedraagt op overlijdensdatum € 33.910.000. Volgens X bedraagt de waarde van het aandelenbelang 891.552 omdat er door verdeeldheid binnen de familie weinig dividend wordt uitgekeerd. De inspecteur stelt de waarde vast op € 7.420.000. In geschil is of de waardering van het belang in de holding door de inspecteur te hoog is vastgesteld en of de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR) van toepassing is.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de verhuur van het pand geen materiële onderneming is, zodat de BOR niet kan worden toegepast. De door de erfgenamen beschreven werkzaamheden zijn geen werkzaamheden die omvangrijker zijn dan bij normaal vermogensbeheer gebruikelijk is. Dat een directeur fulltime in dienst was van de vennootschap die de verhuur regelde en daar activiteiten/werkzaamheden voor verrichtte, welke taken nu door (een van) de erfgenamen worden uitgevoerd, maakt dit niet anders. De inspecteur maakt aannemelijk dat de aandelen ten minste € 7.420.000 waard zijn. De feitelijke dividendstroom is geen juiste maatstaf om de waarde te bepalen. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Schenk- en erfbelasting
Editie: 27 april
Informatiesoort: VN Vandaag