X maakt in 2023 bezwaar tegen de aan hem ambtshalve opgelegde IB-aanslagen 2013, 2014 en 2016. De bezwaren worden niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn. Vervolgens wijst de inspecteur ook het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen af wegens overschrijding van de vijfjaarstermijn van art. 45aa onderdeel a Uitv. reg. IB 2001. Rechtbank Den Haag oordeelt dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen terecht heeft afgewezen in verband met de termijnoverschrijding. X gaat in hoger beroep.
Hof Den Haag oordeelt dat de door X geschetste persoonlijke omstandigheden maken dat er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Ook is het verzoek zo spoedig mogelijk ingediend als dit redelijkerwijs kon worden verlangd. Daarbij acht het hof niet van belang dat de nieuwe termijn van zes weken ook is overschreden. Gelet op de acties die X heeft ondernomen heeft hij, beoordeeld naar de omstandigheden van dit geval, gehandeld zo spoedig als redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. De omstandigheden die het hof meeweegt zijn de jarenlange mantelzorg voor de ouders, en het uiteindelijke overlijden van de ouders, een burn out en een depressie. Daarnaast kwam X in financiële problemen omdat zijn eerste opdracht voortijdig werd beëindigd en hij vervolgens geen opdrachten meer kreeg. Het hof wijst de zaak terug naar de inspecteur voor een inhoudelijke behandeling.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 artikel 45AA
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 29 juli
Informatiesoort: VN Vandaag