X en haar echtgenoot, Y, verkrijgen in 2022 een bedrijfswoning die behoort bij het agrarisch (familie)bedrijf. X en Y verklaren in de koopovereenkomst dat zij de woning als hoofdverblijf gaan gebruiken en doen een beroep op de startersvrijstelling (art. 15 lid 1 onderdeel p WBR). De woning wordt na de verkrijging geheel gesloopt, inclusief fundering, en op dezelfde plek herbouwd. Volgens de inspecteur is de startersvrijstelling niet van toepassing omdat niet is voldaan aan het hoofdverblijfcriterium. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat wordt voldaan aan het hoofdverblijfcriterium en dat recht bestaat op de startersvrijstelling. Dat de aangekochte woning na levering is gesloopt en vervangen door een nieuwe woning, is niet van belang. De inspecteur gaat in hoger beroep.
Hof Amsterdam oordeelt dat X geen recht heeft op toepassing van de startersvrijstelling. Door de sloop van de verkregen woning, inclusief de fundering, wordt niet voldaan aan het hoofdverblijfcriterium, omdat een volledig gesloopte woning niet langer kan worden aangemerkt als ‘woning’. Van belang is dat X op het moment van verkrijging al de intentie had om de verkregen woning (volledig) te laten slopen om daarop nieuwbouw te plegen. Het hof verwijst naar de, in zijn ogen, heldere wettekst die niet voor meerdere uitleg vatbaar is. Het hof verwerpt het beroep van X op het gelijkheidsbeginsel, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.111
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 29 juli
Informatiesoort: VN Vandaag