X staat sinds 2017 in de BRP ingeschreven op een adres in Nederland. De politie constateert op meerdere momenten dat X met een Honda CR-V met Bulgaars kenteken op de openbare weg rijdt. De eerste constatering vindt plaats op 10 mei 2024, waarbij X als enige inzittende wordt aangetroffen. De politie legt deze bevindingen vast in een proces-verbaal en bevestigt in e-mailberichten meerdere registraties van het voertuig in Nederland sinds 2023. De inspecteur legt vervolgens een naheffingsaanslag MRB van € 1.002 en een verzuimboete van € 501 op en verklaart het bezwaar ongegrond. X gaat in beroep.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X als houder geldt omdat hij op 10 mei 2024 het voertuig feitelijk ter beschikking heeft en in Nederland zijn hoofdverblijf heeft. X maakt niet aannemelijk dat hij in de voorafgaande twaalf maanden geen feitelijke beschikkingsmacht heeft gehad over het voertuig. De inspecteur heft daarom terecht MRB over deze periode. De verzuimboete volgt uit de vastgestelde belastingplicht en blijft in stand, omdat X zijn financiële omstandigheden niet onderbouwt en geen strafverminderende factoren aannemelijk maakt. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 34
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 2
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 3
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 7
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 artikel 7
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1966 artikel 1
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67C
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Belastingheffing van motorrijtuigen, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 11 mei
Informatiesoort: VN Vandaag