In de voorgelegde casus is de nalatenschap van een alleenstaande erflater verdeeld over de erfgenamen. Eén van de kinderen van de erflater (hierna: de legitimaris) is bij testament onterfd. Drie jaar na het overlijden eist de legitimaris zijn legitieme portie op van de reeds verdeelde nalatenschap.
Zolang nog niet vaststaat dat de legitimaris aanspraak zal maken op de legitieme portie is er geen sprake van een opeisbare schuld en kunnen de erfgenamen geen schuld in aanmerking nemen in box 3. Een latere aanspraak op de legitieme portie heeft geen gevolgen voor de grondslag sparen en beleggen van de erfgenamen op eerdere peildata tussen het overlijden van de erflater en het aanspraak maken door de legitimaris.
Voor de legitimaris geldt eveneens dat de legitieme portie pas tot de bezittingen behoort als er aanspraak op is gemaakt.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Burgerlijk Wetboek Boek 4 artikel 63
Rubriek: Inkomstenbelasting, Schenk- en erfbelasting
Regelgevende instantie: Belastingdienst
Editie: 4 mei
Informatiesoort: VN Vandaag