Belanghebbende, X, verzoekt om ambtshalve vermindering van een aanslag IB/PVV 2020. Omdat de inspecteur niet tijdig beslist, stelt hij deze in gebreke en verzoekt om vaststelling van een dwangsom. De inspecteur oordeelt aanvankelijk dat geen dwangsom is verbeurd. Na bezwaar stelt hij alsnog een dwangsom vast wegens het niet-tijdig beslissen op het oorspronkelijke verzoek, maar weigert een dwangsom toe te kennen wegens het niet-tijdig beslissen op het bezwaar tegen het eerdere dwangsombesluit. Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X geen recht heeft op een dwangsom voor het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar tegen de beslissing om geen dwangsom toe te kennen.
De Hoge Raad oordeelt dat geen dwangsom kan worden verbeurd bij het niet-tijdig beslissen op een bezwaar tegen een dwangsombesluit. In de regeling van de dwangsom bij niet-tijdig beslissen (paragraaf 4.1.3.2 Awb) ligt besloten dat geen dwangsom kan worden verbeurd wegens het niet-tijdig vaststellen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van een door hem verbeurde dwangsom. Daarmee wordt stapeling van dwangsommen voorkomen. In lijn hiermee geldt dat ook geen dwangsom wordt verbeurd indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar tegen (het uitblijven van) een dwangsombesluit. Het middel voert weliswaar terecht aan dat een uitspraak op bezwaar een besluit op aanvraag is, ook indien het bezwaar is gericht tegen een dwangsombesluit, maar in zoverre bestaat aanleiding een uitzondering aan te nemen op de regel dat de dwangsomregeling in paragraaf 4.1.3.2 van de Awb van toepassing is op iedere beschikking op een aanvraag in de zin van art. 1:3 lid 3 Awb.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.17
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.18
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 4 mei
Informatiesoort: VN Vandaag