Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X zijn aandeel in de maatschap niet geruisloos inbrengt in zijn persoonlijke holding, omdat de inbreng deel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op de overdracht aan de werkmaatschappij.

X drijft samen met zijn broer en een derde een koolverwerkingsbedrijf in de vorm van een maatschap. In 2020 richten X en zijn broer ieder een persoonlijke holding op waarin zij hun maatschapsaandeel inbrengen. De holdings richten vervolgens een tussenhoudster op, Z BV, die de onderneming inbrengt in een nieuw opgerichte werkmaatschappij. Het bedrijfspand met ondergrond en erf en de daarmee verbonden leningen blijven in Z BV achter. De vennootschappen vormen geen fiscale eenheid. X verzoekt om toepassing van art. 3.65 Wet IB 2001, de inspecteur wijst dit verzoek af.

Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de inbreng van de onderneming onderdeel uitmaakt van een geheel van rechtshandelingen gericht op overdracht aan de werkmaatschappij, zodat de geruisloze omzettingsfaciliteit niet geldt. De goedkeuringen in onderdeel 4.2.2 van het Besluit geruisloze omzetting (Stcrt. 2025, 37092, V-N 2025/51.4) zijn niet van toepassing, onder meer omdat er geen fiscale eenheid bestaat en het achtergebleven bedrijfspand geen tak van bedrijvigheid vormt. Het beroep van X is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Instantie: Rechtbank Noord-Holland

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 4 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

6

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen