De Hoge Raad stelt de proceskostenvergoeding die het dagelijks bestuur van Cocensus moet betalen vast op € 281. Daarbij overweegt de Hoge Raad dat X geen nadere gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zijn geval met het oog op de proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval.

X schakelt een gemachtigde in om de WOZ-waarde 2021 van zijn woning te bestrijden. De gemachtigde vraagt in de bezwaarprocedure, met een beroep op art. 40 Wet WOZ, diverse stukken op, zoals de onderbouwing van de indexering naar waardepeildatum en de factoren die met betrekking tot de woning en de referentiepanden een waardeoordeel uitdrukken over kwaliteit, onderhoud, uitstraling, doelmatigheid, voorzieningen en ligging (KOUDVL-factoren). De heffingsambtenaar verstrekt daarop een ‘taxatiematrix’. In hoger beroep is nog in geschil of art. 40 Wet WOZ is geschonden. Hof Amsterdam oordeelt dat art. 40 Wet WOZ niet is geschonden. Wel bestaat volgens het hof recht op vergoeding van het griffierecht. De vergoeding voor de kosten van het hoger beroep worden gematigd tot € 60 en de ISV tot € 50 per half jaar. X gaat in cassatie. In het arrest van 27 februari 2026 (24/03415, ECLI:NL:HR:2026:297, V-N 2026/14.20) geeft de Hoge Raad vervolgens enige algemene overwegingen over de uitleg van art. 40 Wet WOZ, toegespitst op de waardevaststelling van woningen, waarbij wordt voortgeborduurd op eerdere rechtspraak. Voor de onderhavige zaak van X geldt volgens de Hoge Raad dat art. 40 Wet WOZ niet is geschonden. De zaak wordt nog wel aangehouden om de hoogte van de vergoeding van proceskosten voor de cassatieprocedure te bepalen.

De Hoge Raad stelt de proceskostenvergoeding die het dagelijks bestuur van Cocensus moet betalen vast op € 281 (2 punten x factor 1,5 x factor 0,10 x € 937). Daarbij overweegt de Hoge Raad dat X geen nadere gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt dat zijn geval met het oog op de proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval (ex Hoge Raad 17 januari 2025, 24/00575, ECLI:NL:HR:2025:46, V-N 2025/5.27). Daarnaast wordt de heffingsambtenaar van de gemeente Dijk en Waard veroordeeld tot het betalen van € 1401 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in verband met het incidentele hoger beroep voor het hof.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet waardering onroerende zaken artikel 40

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Waardering onroerende zaken, Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 4 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

8

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen