NL Bank en een Franse Bank gebruiken X BV als joint-venturevennootschap voor hun samenwerking. Een tot het concern van de Franse Bank behorende vennootschap, het Luxemburgse LuxCo, verwerft X BV als een bestaande Nederlandse plankvennootschap voor het opzetten van een investeringsstructuur. LuxCo financiert X BV met een grote hoeveelheid vreemd vermogen en voor een gering deel met kapitaal. In de jaren 2006-2007 zetten NL Bank, de Franse Bank en X BV de investeringsstructuur op. Deze structuur leidt er onder andere toe dat X BV, door aftrek van de aan LuxCo verschuldigde rente, geen belasting is verschuldigd over het rendement op een aangeschafte portefeuille. Verder blijft het rendement op een andere portefeuille in Luxemburg grotendeels onbelast door bepaalde betaalde vergoedingen, terwijl deze vergoedingen voor X BV in Nederland zijn vrijgesteld op grond van de deelnemingsvrijstelling. Naar aanleiding van een onderzoek stelt de inspecteur vast dat X bv ten onrechte een rentelast/vrijgesteld deelnemingsresultaat voor een bedrag van € 31,2 mln. (2007/2008) en € 31,1 mln. (2008/2009) claimt. De inspecteur legt vervolgens VPB-navorderingsaanslagen op aan X BV. Volgens hem is er namelijk sprake van fraus legis. Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat, voor de periode vanaf 1 januari 2008, aan de leningen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. X BV kan de verschuldigde rente dan niet in aftrek brengen. Ook kan X BV de rente die betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2008 niet in aftrek brengen. Het is namelijk aannemelijk dat de leningen zijn aangegaan met het doorslaggevend oogmerk om belasting te besparen. Er is sprake van fraus legis omdat de (kunstmatig) gecreëerde rentelasten zijn afgezet tegen op kunstmatige wijze bij X BV tot stand gekomen voordelen. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. X BV en de staatssecretaris gaan in cassatie.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de inspecteur terecht heeft toegelaten tot levering van tegen-tegenbewijs (ex art. 10a lid 3 onderdeel b eerste volzin Wet VPB 1969). Ook is het oordeel van het hof juist dat de inspecteur aannemelijk maakt dat aan de leningen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. Hetgeen X BV daartegen inbrengt berust volgens de Hoge Raad op een verkeerde lezing van de uitspraak van het hof. Voor het oordeel van het hof dat doel en strekking van de Wet VPB 1969 zich verzetten tegen het binnen de structuur op willekeurige en voortdurende wijze verijdelen van belastingheffing over het rendement op een obligatieportefeuille geldt dat dit geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Voor de stelling van X BV dat toepassing van (de tegen-tegenbewijsregeling van) art. 10a Wet VPB 1969 dan wel het leerstuk van fraus legis in strijd is met het EU-recht, verwijst de Hoge Raad naar zijn arrest van 16 januari 2026 (20/03948 bis, ECLI:NL:HR:2026:60, V-N 2026/5.9). Het leerstuk van wetsontduiking gaat namelijk niet verder dan de bestrijding van misbruik in EU-rechtelijke zin. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Wetingang:
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 10a
Wet op de vennootschapsbelasting 1969 artikel 13
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Vennootschapsbelasting
Editie: 4 mei
Informatiesoort: VN Vandaag
Focus: Focus