Hof Den Haag oordeelt dat een fiscale eenheid tot stand is gekomen. HR 14 april 2017, 15/02201, BNB 2017/222 is voor X BV niet van toepassing. De correctie renteaftrek is slechts deels terecht. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
B koopt samen met A bijna failliete vennootschappen op, die zij na sanering weer doorverkopen. Zij brengen de projecten onder in vennootschappen die via X BV toebehoren aan B. Aan X BV zijn diverse VPB-aanslagen opgelegd, waarbij X BV zich primair op het standpunt stelt dat de fiscale eenheid tussen haar als moedermaatschappij en X2 BV, X4 BV en X5 BV als dochters nimmer tot stand is gekomen. X BV beroept zich op HR 14 april 2017, 15/02201, BNB 2017/222, waaruit volgens haar volgt dat niet zij maar B de economische eigendom van de aandelen in de dochtermaatschappijen had. In geschil is of een fiscale eenheid tot stand is gekomen en of de rente die X BV uit hoofde van een leningsovereenkomst met een van de dochtermaatschappijen is verschuldigd ten onrechte in aftrek is geweigerd.
Hof Den Haag (V-N 2024/6.1.3) oordeelt dat de fiscale eenheid met ingang van 1 januari 2002 tot stand is gekomen. Het standpunt van X BV dat het arrest HR 14 april 2017, 15/02201, BNB 2017/222 doorwerkt naar de onderhavige zaak, wordt verworpen. De vaststellingsovereenkomst die A in 2011 met de Belastingdienst heeft gesloten, werkt wel door naar de onderhavige zaak. In het kader van deze ‘package deal’ is de rente voor de koopsom van een 90%-deelneming bij A in de IB-heffing betrokken, zodat voor 45% sprake is van een compenserende heffing. De rentecorrectie bij X BV is dus slechts voor 55% terecht. Het beroep van X BV is gegrond. Wegens het overschrijden van de redelijke termijn krijgt zij voorts een immateriële schadevergoeding van € 15.000. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
(Na conclusie van A-G Wattel in V-N 2024/39.7)
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.6