X bezit een woning aan adres 2 en koopt in maart 2022 een woning aan adres 3 voor € 815.000. In december 2022 verkrijgt X daarnaast een woning aan adres 1 voor € 911.000 waarvoor hij 2 procent overdrachtsbelasting voldoet. X ondertekent voor beide woningen een verklaring waarin hij stelt deze als hoofdverblijf te gaan gebruiken. X woont echter in geen van beide woningen en verhuurt de woning aan adres 3. In augustus 2023 verkoopt X de woning aan adres 1 voor € 1.100.000. De inspecteur corrigeert het lage tarief en legt voor deze woning een naheffingsaanslag op. X gaat in beroep.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X aannemelijk maakt dat na de verkrijging onvoorziene omstandigheden zijn ontstaan die hem redelijkerwijs verhinderden de woning aan adres 1 als hoofdverblijf te gebruiken. De financiële problemen, de ontstane mentale problematiek en de noodzaak tot verkoop vormen een samenstel van omstandigheden dat maakt dat van X niet kan worden verlangd dat hij zijn oorspronkelijke voornemen uitvoert. De rechtbank stelt daarom dat art. 15a lid 5 Wet BRV 1970 van toepassing is en dat X geacht wordt de woning als hoofdverblijf te hebben gebruikt. De rechtbank vernietigt de naheffingsaanslag.
Wetingang:
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 14
Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer
Editie: 10 juni
Informatiesoort: VN Vandaag