Hof Amsterdam oordeelt dat X de vergoedingen die hij aan zijn partner heeft betaald niet in aftrek kan brengen. X maakt niet aannemelijk dat de gestelde vergoedingen verband houden met zijn onderneming. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

Naast zijn fulltime dienstverband bij zijn werkgever exploiteert X een eenmanszaak. In zijn IB-aangifte claimt hij aftrek van diverse kosten. Verder claimt hij de zelfstandigenaftrek, de startersaftrek en de investeringsaftrek. De inspecteur accepteert de geclaimde posten niet. X is het hier niet mee eens. In beroep accepteert de inspecteur uiteindelijk, nadat X enkele facturen heeft overgelegd, nog enkele aftrekposten. De aanslagen worden daarop verminderd. X gaat vervolgens in hoger beroep.

Hof Amsterdam (V-N 2024/57.1.2) oordeelt dat X de vergoedingen die hij aan zijn partner heeft betaald niet in aftrek kan brengen. X maakt niet aannemelijk dat de gestelde vergoedingen verband houden met zijn onderneming. Ook heeft X geen recht op de zelfstandigenaftrek en de startersaftrek. Naast het feit dat X reeds een fulltime dienstverband heeft, acht het hof van belang dat de overgelegde urenstaten te algemeen van aard zijn. X maakt dan ook niet aannemelijk dat hij aan het urencriterium voldoet. Omdat X ook niet aannemelijk maakt dat hij in een bedrijfsmiddel heeft geïnvesteerd, heeft hij geen recht op de investeringsaftrek. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.6

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.76

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 10 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

45

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen