X doet aangifte IB/PVV 2021 met een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 19.233 en brengt € 4298 aan specifieke zorgkosten in aftrek. Deze kosten omvatten € 1900 aan uitgaven voor vervoer wegens ziekte, € 300 aan extra uitgaven voor kleding en beddengoed en een verhoging specifieke zorgkosten van € 2486. De inspecteur accepteert alleen € 300 aan extra uitgaven voor kleding en beddengoed en past een verhoging van € 339 toe, resulterend in een aftrek van € 251. In het dossier bevinden zich facturen van een auto, benzinebonnen en overzichten van wegenbelasting en autoverzekering. In geschil is of X aannemelijk heeft gemaakt dat de vervoersuitgaven wegens ziekte kwalificeren als aftrekbare specifieke zorgkosten.
Hof Den Haag oordeelt dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vervoersuitgaven op X drukken, voortvloeien uit ziekte of invaliditeit of uitstijgen boven kosten van een vergelijkbare belastingplichtige zonder ziekte. Het hof sluit aan bij de beoordeling van de rechtbank en bevestigt dat de limitatieve regeling van art. 6.1 en art. 6.7 Wet IB 2001 geen ruimte biedt voor aftrek zonder toereikende onderbouwing. Het hoger beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.17