Hof Den Haag oordeelt dat X BV aantoont dat zijn gemachtigde een bijzonder geval vormt waardoor op grond van art. 30a Wet WOZ geen vermenigvuldigingsfactor wordt toegepast voor de vergoeding van proceskosten.
X BV gaat in bezwaar en beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde. De rechtbank past de WOZ-waarde aan en stelt een proceskostenvergoeding vast rekening houdend met een vermenigvuldigingsfactor op grond van art. 30a Wet WOZ. De gemachtigde van X BV voert in hoger beroep diverse overeenkomsten, facturen, winstcijfers en bedrijfsgegevens aan over de jaren 2012 tot en met 2023. Vanaf 1 januari 2024 brengt de gemachtigde bedragen in rekening voor elke nieuwe procedure en werkt hij niet meer op basis van no cure no pay. In geschil is of het bedrijfsmodel van de gemachtigde van X BV ten tijde van het instellen van beroep een bijzonder geval vormt waardoor art. 30a Wet WOZ niet van toepassing is.
Hof Den Haag oordeelt dat het bedrijfsmodel van de gemachtigde ten tijde van het instellen van beroep niet het kenmerk van no cure no pay heeft omdat hij sinds 1 januari 2024 substantiële bedragen per procedure in rekening brengt. Deze bedragen brengen een financieel risico mee voor klanten waardoor geen sprake is van een grondslag die overeenkomt met no cure no pay. X BV bewijst daarmee buiten redelijke twijfel dat sprake is van een bijzonder geval. Het hof berekent de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase daarom zonder toepassing van de vermenigvuldigingsfactor van art. 30a Wet WOZ en vernietigt de uitspraak van de rechtbank voor zover die factor is toegepast.
Wetingang:
Wet waardering onroerende zaken artikel 22
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Wet waardering onroerende zaken artikel 30A
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Informatiesoort: VN Vandaag
Editie: 10 juni