De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse griffierechtregeling niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel uit art. 52 Handvest van de grondrechten.

X BV stelt beroep in tegen een uitspraak op bezwaar inzake bpm. Omdat het griffierecht van € 371 niet wordt betaald, verklaart Rechtbank Gelderland het beroep niet-ontvankelijk. In verzet betoogt X BV dat de regeling van art. 8:41 Awb in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel van art. 52 Handvest van de grondrechten. Het griffierecht bedraagt bijna 29% van het financiële belang van de procedure (€ 1287) en vormt daardoor een onevenredige belemmering van de toegang tot de rechter.

De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse griffierechtregeling niet in strijd is met het Unierechtelijke evenredigheidsbeginsel uit art. 52 Handvest van de grondrechten. In het arrest HR 11 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1579, V-N 2019/49.22 over de verenigbaarheid van de griffierechten met het Unierecht is dit element nog niet aan de orde geweest. Gelet op onder meer de hoogte en het doel van het griffierecht, de betalingsonmachtregeling en de mogelijkheid van restitutie bij een gegrond beroep, is de regeling volgens de Hoge Raad verenigbaar met art. 52 van het Handvest. Uit het arrest Kantarev van het HvJ EU volgt niet dat strijd met het Unierecht bestaat zodra het griffierecht meer bedraagt dan 4% van het financiële belang. Daarvan is pas sprake indien het griffierecht een wezenlijke belemmering van de toegang tot de rechter vormt. De rechtbank hoefde geen prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU en de Hoge Raad ziet daar zelf ook vanaf. Het oordeel geldt ook voor de griffierechten in hoger beroep en cassatie. Dat deze hoger zijn, is gerechtvaardigd omdat een partij opnieuw moet afwegen of het belang van de zaak en de kans op succes een beoordeling door een hogere rechter rechtvaardigen. De Hoge Raad bevestigt verder dat bij een beroep dat niet-ontvankelijk is vanwege niet-betaling van griffierecht voor de beroepsfase een richttermijn van anderhalf jaar geldt. Omdat de rechtbank binnen die termijn uitspraak heeft gedaan, bestaat geen recht op ISV.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet bestuursrecht artikel 8.41

Instantie: Hoge Raad

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 15 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

28

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen