Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur over een nieuw feit beschikt voor de navorderingsaanslagen IB/PVV 2018 tot en met 2020, nu hij pas bij de beoordeling van de VPB-aangifte 2020 van X BV de onjuistheden in de aangiften van X heeft ontdekt.

X houdt sinds 2003 alle aandelen in X BV. X heeft een lijfrenteaanspraak verzekerd bij X BV met uitkeringen van € 11.182 per jaar vanaf 2016. X zet zijn pensioenaanspraken op 22 december 2017 om in een oudedagsverplichting (ODV) met een aanvangsuitkering van € 40.095. In de aangifte IB/PVV 2018 neemt X alleen een ODV-uitkering van € 17.650 in aanmerking. In de aangiften IB/PVV 2019 en 2020 neemt X geen lijfrente- of ODV-uitkering op. Ultimo 2019 bedraagt de rekening-courantschuld van X aan X BV € 547.354. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 62.616 (2018), € 67.279 (2019) en € 564.902 (2020). In geschil is onder meer of de inspecteur over een nieuw feit beschikt.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur aannemelijk maakt dat hij pas naar aanleiding van de aangifte vennootschapsbelasting 2020 van X BV beschikt over informatie betreffende de verrekening van uitkeringen en de ODV- en lijfrenteaanspraak. De aangiften IB/PVV maakten een verzorgde indruk en bevatten geen uitworpredenen, zodat de inspecteur in redelijkheid niet hoeft te twijfelen aan de juistheid ervan. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt, omdat X onvoldoende duidelijk maakt op welk onderdeel van het Besluit van 18 maart 2013, nr. BLKB 2013/27M, V-N 2013/17.14, hij zich beroept. De beroepen zijn ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht

Editie: 28 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

24

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen