Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat A geen paardenfokkerij exploiteert. Er is dan geen sprake van voor de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, zodat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing is.

X BV verkrijgt op 23 februari 2018 voor € 220.000 een onroerende zaak inclusief een stuk cultuurgrond met een waarde van € 47.700. X verzoekt ter zake van de cultuurgrond om toepassing van de cultuurgrondvrijstelling (art. 15 lid 1 onderdeel q WBR). De onroerende zaak wordt op 3 juli 2020 verkocht aan A. A verzoekt niet om toepassing van de cultuurgrondvrijstelling. De inspecteur legt een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting op aan X BV, omdat niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden van de cultuurgrondvrijstelling. X BV stelt dat de grond door A feitelijk ten behoeve van de landbouw wordt gebruikt in het kader van een paardenfokkerij.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat A geen paardenfokkerij exploiteert. Er is dan geen sprake van voor de landbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond, zodat de cultuurgrondvrijstelling niet van toepassing is. Alleen de verklaring van A dat hij een paardenfokkerij exploiteert, is onvoldoende. Volgens de rechtbank volgt namelijk verder nergens uit dat een fokkerij niet alleen een intentie was maar ook daadwerkelijk ten uitvoer is gebracht. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd aan X BV.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet op belastingen van rechtsverkeer artikel 15

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Belastingen van rechtsverkeer

Editie: 28 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen