X emigreert per 3 december 2021 naar Thailand en beschikt over pensioenaanspraken bij ABP en PFZW en een lijfrenteverzekering bij RVS. X dient geen aangifte IB/PVV 2021 in en reageert niet op informatieverzoeken. De inspecteur legt een conserverende aanslag op naar € 133.696 met € 55.685 revisierente, gebaseerd op geschatte waarden van pensioenaanspraken (€ 260.843) en lijfrenteaanspraak (€ 17.585). Na bezwaar vermindert de inspecteur het te conserveren inkomen tot € 241.966 (pensioen) en € 17.585 (lijfrente). In geschil is of de conserverende aanslag IB/PVV 2021 en de beschikking revisierente terecht en tot de juiste hoogte zijn vastgesteld.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur de conserverende aanslag terecht maar tot een te hoog bedrag vaststelt. Nu X niet de vereiste aangifte doet, geldt omkering en verzwaring van de bewijslast. De schatting van de inspecteur, gebaseerd op uitgekeerde bedragen en leeftijd van X, acht de rechtbank redelijk. X levert geen overtuigend tegenbewijs. Partijen komen ter zitting overeen dat X niet langer gerechtigd is tot de lijfrenteaanspraak bij RVS, waardoor het te conserveren inkomen met € 17.585 vermindert tot € 241.966. De rechtbank vermindert de revisierentebeschikking dienovereenkomstig.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.136
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.83
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 27E
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 28 juli
Informatiesoort: VN Vandaag