Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat een lening ten behoeve van de verbouwing van een eigen woning zonder contractuele aflossingsverplichting in de opnameperiode niet als eigenwoningschuld kwalificeert.

X woont in België en werkt in Nederland. In 2022 sluit zij een financieringsovereenkomst met een bank voor onder meer € 30.000 ten behoeve van de verbouwing van haar eigen woning. De overeenkomst kent een opnameperiode van 24 maanden waarin geen aflossingsverplichting geldt. Na de opnameperiode dient X de lening in 240 maandelijkse termijnen volledig af te lossen. In haar aangifte IB/PVV 2022 neemt zij de lening op als eigenwoningschuld. De inspecteur weigert deze aftrek en corrigeert de aangifte.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de lening niet kwalificeert als eigenwoningschuld. X is in 2022 contractueel niet tot aflossing verplicht, waardoor niet aan de aflossingseis van art. 3.119a lid 1 onderdeel b Wet IB 2001 wordt voldaan. De rechtbank verwerpt de stelling dat sprake is van een separate lening gedurende de opnameperiode. De geldschuld is als één geheel overeengekomen en kent twee periodes: opname en aflossing. Dat gedurende de opnameperiode niet kan worden afgelost of een ander rentetarief geldt, doet hieraan niet af. De correcties van de inspecteur zijn terecht.

[Bron Uitspraak]

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 28 juli

Informatiesoort: VN Vandaag

18

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen