Naar aanleiding van zijn aangifte wordt aan X een IB-aanslag 2021 opgelegd, conform zijn aangifte. Hierbij wordt onder andere een box 3-inkomen van € 30.800 in aanmerking genomen. X is het hier niet mee eens. Hij is namelijk van mening dat het helemaal niet mogelijk is om het (forfaitair bepaalde) voordeel uit sparen en beleggen te belasten, omdat een genietingsmoment voor box 3 ontbreekt in de Wet IB 2001. Omdat de Wet IB 2001 geen wetsbepaling kent die het genietingsmoment definieert, bedraagt de verschuldigde box 3-heffing volgens X nihil. Verder stelt X dat de Wet IB 2001 voor wat betreft de box 3-heffing in strijd is met art. 17 Handvest EU en art. 1 EP EVRM.
Rechtbank Den Haag oordeelt dat de heffingsgrondslag voor het box 3-inkomen duidelijk in de Wet IB 2001 is opgenomen. De rechtbank wijst hierbij op diverse artikelen in de Wet IB 2001. Verder merkt de rechtbank op dat een afzonderlijke bepaling voor het genietingsmoment, zoals neergelegd in art. 3.146 Wet IB 2001 of art. 5.34 Wet IB 2001, niet nodig is. Uit de door de rechtbank genoemde bepalingen volgt dat IB wordt geheven over het in een kalenderjaar genoten inkomen uit sparen en beleggen. Dit inkomen wordt forfaitair bepaald naar de grondslag sparen en beleggen per 1 januari van het kalenderjaar (de peildatum). De rechtbank verwijst verder naar de wetsgeschiedenis en recente jurisprudentie. Ook het beroep van X op het Handvest EU wordt verworpen, omdat de Wet IB 2001 niet beoogt enig EU-recht ten uitvoer te brengen. Nu de inspecteur geen uitvoering geeft aan een EU-rechtelijke bepaling, is het Handvest EU niet van toepassing.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.146
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.1
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.2
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.3
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 5.34
Instantie: Rechtbank Den Haag
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 28 juli
Informatiesoort: VN Vandaag