De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar zijn arrest van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, V-N 2025/35.23, dat Hof Amsterdam de ISV ten onrechte gematigd heeft van € 500 tot € 50.
X gaat in beroep tegen een aanslag waterschapsbelasting 2020. Rechtbank Amsterdam verklaart het beroep ongegrond, maar verzuimt te beslissen op een verzoek om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (ISV). In hoger beroep kent Hof Amsterdam alsnog een vergoeding toe, omdat de redelijke termijn in eerste aanleg met afgerond een half jaar is overschreden. Het hof matigt echter het gebruikelijke forfaitaire tarief van € 500 per half jaar tot € 50 omdat toepassing van het normale tarief zou leiden tot een evidente overcompensatie.
De Hoge Raad oordeelt onder verwijzing naar zijn arrest van 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122, V-N 2025/35.23, dat Hof Amsterdam de ISV ten onrechte heeft gematigd van € 500 tot € 50. Het cassatieberoep van X is gegrond. De Hoge Raad stelt de ISV zelf vast op € 500, gelast vergoeding van het griffierecht van € 138 en veroordeelt de Staat in de proceskosten van het cassatiegeding (€ 3736). De overige cassatieklachten van X worden met toepassing van art. 81 RO afgedaan.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.73
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Instantie: Hoge Raad
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 15 juni
Informatiesoort: VN Vandaag