Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X met zijn werkzaamheden geen bron van inkomen realiseert omdat een objectieve voordeelsverwachting ontbreekt. De rechtbank oordeelt ook dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt vanwege een abusievelijke fout van de inspecteur.

X werkt in 2020 in loondienst bij twee werkgevers en verricht daarnaast werkzaamheden onder de naam X voor het bezorgen van een huis-aan-huisblad. X geeft een negatieve winst uit onderneming aan van € 6121, opgebouwd uit een omzet van € 3066 en diverse baten van € 1433, tegenover bedrijfslasten van € 11.616 waaronder een post oninbare debiteuren van € 5924. De inspecteur ontvangt de administratie en constateert structurele verliezen vanaf 2017 en wijst X erop dat bij gelijkblijvende omstandigheden geen bron van inkomen wordt aangenomen vanaf 2020. X verklaart in 2024 dat de activiteiten verder zijn afgebouwd. In geschil is of X met zijn activiteiten een bron van inkomen heeft gerealiseerd en of het vertrouwensbeginsel verhindert dat de inspecteur dit corrigeert.

Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat X geen objectieve voordeelsverwachting aannemelijk maakt. De activiteiten leiden jarenlang tot verliezen en X toont geen feiten waaruit volgt dat deze verliezen worden goedgemaakt. Ook zonder de post oninbare debiteuren blijft het resultaat negatief. De rechtbank oordeelt dat de inspecteur daarom terecht geen resultaat uit overige werkzaamheden in aanmerking heeft genomen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt omdat de vermelding van de niet benutte zelfstandigenaftrek een abusievelijke fout vormt en X uit de correspondentie kon begrijpen dat de inspecteur geen winst uit onderneming accepteerde. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.76

Instantie: Rechtbank Noord-Nederland

Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht, Inkomstenbelasting

Editie: 16 juni

Informatiesoort: VN Vandaag

7

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen