Aan X is tot 1 mei 2024 uitstel verleend voor het indienen van de IB-aangifte 2022. Zij dient de aangifte uiteindelijk op 25 april 2024 in. De inspecteur legt vervolgens op 28 juni 2024 de aanslag op. Daarbij wordt € 1751 aan belastingrente in rekening gebracht. X acht de rentepercentages te hoog: over de periode 1 juli 2023 - 31 december 2023 6% en over de periode 1 januari 2024 - 9 augustus 2024 7,5%. X acht een en ander in strijd met het recht en pleit tot vermindering van de belastingrente naar nihil. Daarbij stelt zij ook dat de Belastingdienst onzorgvuldig en nalatig heeft gehandeld door haar niet te informeren dat er zo’n hoog rentepercentage zou worden berekend.
Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat het gehanteerde belastingrentepercentage voor de IB niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel of art. 1 EP EVRM. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2026 (24/04619, ECLI:NL:HR:2026:59, V-N 2026/5.21). Verder merkt de rechtbank op dat de Belastingdienst geen wettelijke taak heeft om burgers proactief te informeren over de belastinggevolgen van recente wetswijzigingen en nieuw ingevoerde regelingen. De inspecteur is dan ook niet verplicht om X te informeren over het feit dat zij mogelijk belastingrente verschuldigd zou zijn. Daarbij komt dat de Belastingdienst met de informatie op de website voldoende informatie geeft over de belastingrente die verschuldigd kan worden indien om uitstel voor het doen van aangifte wordt gevraagd. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30FC
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30HB
Besluit belasting- en invorderingsrente artikel 1
Instantie: Rechtbank Noord-Holland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 8 mei
Informatiesoort: VN Vandaag