Aan X is op haar verzoek tweemaal uitstel verleend om aangifte IB/PVV 2022 te doen. Zij krijgt uiteindelijk uitstel tot 1 december 2023. De inspecteur verzendt op 22 december 2023 een aanmaning waarin staat dat de aangifte vóór 10 januari 2024 moet worden ingediend. X dient de aangifte op 29 juli 2024 in. De inspecteur legt een aanslag op overeenkomstig de aangifte en legt tegelijk een verzuimboete van € 385 op op grond van art. 67a AWR. X maakt bezwaar tegen de boete.
In geschil is of de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd wegens het niet tijdig indienen van de aangifte IB/PVV 2022 en of het gelijkheidsbeginsel is geschonden.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat de inspecteur de aanmaning naar het juiste adres heeft verzonden en dat X geen feiten heeft aangevoerd die twijfel aan de ontvangst rechtvaardigen. De rechtbank oordeelt dat X de aangifte niet binnen de gestelde termijn heeft ingediend zodat de inspecteur terecht een verzuimboete heeft opgelegd. De rechtbank oordeelt dat de hoogte van de boete passend is. De rechtbank constateert dat de redelijke termijn is overschreden maar matigt de boete niet omdat deze minder dan € 1000 bedraagt. De rechtbank oordeelt dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat X geen vergelijkbare gevallen aandraagt die gunstiger zijn behandeld.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A
Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden artikel 6
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 8 mei
Informatiesoort: VN Vandaag