X bezit een eigen woning die is gefinancierd met hypotheken bij Florius. Florius renseigneert jaarlijks verschuldigde rente van € 5608 voor 2019 en 2020 en € 4649 voor 2021. X doet aangifte IB/PVV 2019, 2020 en 2021 met daarop hogere bedragen aan aftrekbare hypotheekrente, namelijk € 14.256, € 14.208 en € 26.556. De inspecteur legt de primitieve aanslagen conform de aangiften op. Na mededelingen van X tijdens een zitting over 2018 verzoekt de inspecteur informatie over de renteaftrek. X reageert niet. De inspecteur legt navorderingsaanslagen op conform de renseignementen. X maakt bezwaar en stuurt later jaaropgaven van het UWV en Florius die dezelfde bedragen bevatten als de renseignementen.
In geschil is of de navorderingsaanslagen zijn gebaseerd op een nieuw feit en of X hogere hypotheekrente aannemelijk maakt dan volgt uit de renseignementen.
Hof Amsterdam oordeelt dat de inspecteur een nieuw feit ontleent aan mededelingen van X tijdens een eerdere zitting, waardoor navordering mogelijk is. Het hof oordeelt dat de inspecteur geen ambtelijk verzuim begaat omdat de aangiften geen aanleiding geven tot twijfel en de renseignementen niet uitsluiten dat hogere rente bestaat. X maakt geen hogere renteaftrek aannemelijk dan volgt uit de renseignementen van Florius. De navorderingsaanslagen blijven daarom in stand.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 11
Instantie: Hof Amsterdam
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 8 mei
Informatiesoort: VN Vandaag