Z is enig aandeelhouder en bestuurder van X BV. Daarnaast is Z bestuurder van Y BV. De inspecteur weigert Z als gemachtigde aan te merken in fiscale zaken. X BV stelt dat doordat Z niet als gemachtigde op mag treden, niet aan de vereiste organisatorische verwevenheid tussen X BV en Y BV voor het vormen van een fiscale eenheid BTW wordt voldaan. De inspecteur stelt dat wel sprake is van een fiscale eenheid BTW en heft na over 2014-2017.
Hof Arnhem-Leeuwarden (V-N 2024/16.1.2) oordeelt dat X BV en Y BV een fiscale eenheid vormen voor de BTW. Dat Z als de enig aandeelhouder van X BV niet op mag treden als gemachtigde is niet relevant voor de toets of X BV en Y BV onderling organisatorisch verweven zijn. Het gaat immers niet om de vraag of hij namens de fiscale eenheid naar buiten toe optreedt of dat hij als gemachtigde bij de Belastingdienst wordt toegelaten, maar om de vraag of X BV en Y BV onder een gezamenlijke leiding staan in de zin van art. 7 lid 4 Wet OB 1968. Verder zijn de diensten die X BV verricht onder de noemer ‘overige werkzaamheden’ belast in Nederland. Nu geen andere plaats van dienst aannemelijk wordt gemaakt, is de plaats van dienst Nederland. Het hoger beroep van X BV is ongegrond. De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie zonder nadere motivering ongegrond (art. 81 lid 1 Wet RO).
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 7