X is in 2024 eigenaar en bewoner van een eigen woning, gefinancierd met twee hypotheken bij de Rabobank. X verzoekt eind 2023 om een voorlopige aanslag 2024 en vermeldt daarin onder meer kosten van geldleningen van € 2414 en loon van € 33.370. De inspecteur legt twee voorlopige aanslagen met teruggaaf op. X doet aangifte IB/PVV 2024 naar een verzamelinkomen van € 37.168 met hypotheekrenteaftrek van € 3311. Uit renseigneringsgegevens blijkt loon van € 38.614 en betaalde hypotheekrente van € 3366.
In geschil is of de aanslag IB/PVV 2024 uitgaat van de juiste hypotheekrenteaftrek en het juiste belastbaar inkomen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur in beroep terecht erkent dat X in 2024 € 3366 aan hypotheekrente betaalt, zodat de inkomsten uit eigen woning € 2600 negatief bedragen. De rechtbank vermindert daarom de aanslag en stelt het belastbaar inkomen uit werk en woning vast op € 36.014. Voor het overige volgt de rechtbank de niet betwiste correcties inzake loon en kosten van geldleningen.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.110
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Informatiesoort: VN Vandaag
Editie: 6 mei