X woont in Duitsland en doet aangifte IB/PVV 2020 met een aftrekbare rente voor de eigen woning van € 30.317 en specifieke zorgkosten van € 15.662. De inspecteur legt in 2023 de aanslag IB/PVV 2020 conform de aangifte op. Bij de behandeling van het bezwaarschrift inzake de aanslag IB/PVV 2019 stelt de inspecteur ook vragen over de aanslag IB/PVV 2020, waarna hij stukken over 2020 ontvangt. Met dagtekening 19 oktober 2024 legt de inspecteur een navorderingsaanslag IB/PVV 2020 op, vermindert de aftrek rente en zorgkosten naar nihil en stelt vast dat X niet verplicht verzekerd is voor de volksverzekeringen. In geschil is of de inspecteur een nieuw feit heeft voor de navordering en of X recht heeft op aftrek van rente op de lening en specifieke zorgkosten.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de inspecteur uitgaat van de juistheid van de aangifte IB/PVV 2020 en pas bij de behandeling van het bezwaarschrift over de aanslag IB/PVV 2019 kennis neemt van de relevante stukken over 2020. Deze latere bekendheid vormt een nieuw feit in de zin van art. 16 AWR, zodat de inspecteur mag navorderen. De rechtbank oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat de lening een eigenwoningschuld vormt en dat daadwerkelijk rente voldoet, zodat geen aftrek rente eigenwoninglening bestaat. X specificeert de zorgkosten onvoldoende, maakt niet aannemelijk dat deze op hem drukken en overschrijdt de drempel niet. X heeft daardoor geen recht op een aftrek specifieke zorgkosten. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.120
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.119A
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 6.17
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Informatiesoort: VN Vandaag
Editie: 6 mei