X BV is uitgever van software en adviseert over informatietechnologie. Haar enig aandeelhouder/bestuurder is X, die eerst zelf alleen een eenmanszaak had. In 2018 start X BV een project, waarbij de afnemer de facturen voor de diensten van X BV opstelt (reversed of self-billing). Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat X BV over 2018 te weinig BTW heeft afgedragen. Zo is er volgens de eigen administratie in het eerste halfjaar omzet behaald, terwijl BTW-nihilaangiften zijn ingediend. Daarnaast is geen BTW aangegeven voor de facturen die via de self-billing zijn opgemaakt. De omzet is wel correct aangegeven in de VPB-sfeer. In geschil is de BTW-naheffing, alsmede de 50% vergrijpboete van € 20.435.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X BV de € 21.399 BTW is verschuldigd die via self-billing door de afnemer op haar naam zijn uitgereikt (art. 37 Wet OB 1968). Met betrekking tot de boete toont de inspecteur niet overtuigend aan dat in zoverre sprake is van (voorwaardelijke) opzet. X BV is wel vergaand grofschuldig nalatig geweest door haar administratie pas achteraf uit te besteden. Een boete van € 12.355 is passend en geboden, met dien verstande dat deze wegens het overschrijden van de redelijke termijn wordt gematigd tot € 9884. De rechtbank vernietigt de uitspraak op bezwaar uitsluitend met betrekking tot de boetebeschikking.
Wetingang:
Wet op de omzetbelasting 1968 artikel 37
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 67A
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Omzetbelasting
Informatiesoort: VN Vandaag
Editie: 6 mei