Prinsjesdag 2019 brengt een belangrijke ontwikkeling met zich mee op het gebied van het internationaal belastingrecht: Nederland neemt afscheid van een van haar fiscale kroonjuwelen, althans gedeeltelijk.

Vanaf 1 januari 2021 moeten Nederlandse bedrijven die binnen concern rente- of royaltybetalingen doen aan het buitenland, onder omstandigheden een bronbelasting inhouden. Het tarief ligt daarbij net iets boven de 20%. De heffing gaat met pittige administratieve en formele verplichtingen gepaard en ontwijking ervan kan tot forse boetes en aansprakelijkheid leiden. Bovendien kan dubbele en zelfs meervoudige heffing ontstaan. Geen bepaald kinderachtige heffing dus waar je in de praktijk het liefst met een grote boog omheen zal willen lopen.

Gelukkig is er goed nieuws voor het reële Nederlandse bedrijfsleven. De heffing is namelijk bedoeld om Nederlandse doorstroomsituaties aan te pakken, waarbij de betaling uiteindelijk terecht komt in een belastingparadijs. Het reële bedrijfsleven zou er dus geen last van moeten hebben.

Toch ligt dit op het eerste gezicht genuanceerder. Zo is de trigger voor deze heffing namelijk uitsluitend of er wordt betaald aan een ontvanger in een 'fout' land, dat wil zeggen, een land dat op de Nederlandse en/of EU-zwarte lijst staat vermeld. De mate van economische substance bij de buitenlandse ontvanger dan wel bij de Nederlandse betaler is verder niet van belang. Bovendien is het concernbegrip ruim geformuleerd. De wet eist dat er sprake is van 'gelieerdheid'. Het gaat daarbij om een kwalitatief in plaats van een kwantitatief criterium. Per geval zal dus een concrete toetsing moeten worden gemaakt. Minderheidsbelangen zijn daarbij niet zonder meer uitgesloten. Daarnaast geldt de heffing niet alleen bij directe betalingen aan een ontvanger in een 'fout' land. Zodra ergens in de concernstructuur een 'fout' land zit en de betaling daar via een omweg alsnog – al dan niet tijdelijk – terecht komt, kan men al met de bronheffing in aanraking komen. Ook voor deze 'zwakste schakel-benadering' geldt een case-by-case-toets.

Tot slot wijzigt de zwarte lijst van tijd tot tijd. Wat nu 'goed' is, kan morgen 'fout' zijn. Alles bij elkaar genomen heeft de nieuwe heffing dus een behoorlijk open en dynamisch karakter. Ik verwacht daarom dat ook het reële Nederlandse bedrijfsleven er in de praktijk, onder omstandigheden, toch mee te maken kan krijgen. Toch zal de praktijk, verwacht ik, zich wel redden. Het lijkt namelijk ook weer niet zo moeilijk om buiten de heffing te blijven. Bijvoorbeeld door gewoon de concernstructuur – met de zwarte lijst in de hand – op te schonen. Daarnaast kunnen, zeker in de eerste jaren, belastingverdragen aan de heffing in de weg staan. Tot slot geldt er een specifieke overgangsregeling van drie jaren ten aanzien van sommige landen die op genoemde lijst staan vermeld. Kortom, of met de bronbelasting Nederland ook feitelijk afscheid heeft genomen van een van haar fiscale kroonjuwelen, moet worden afgewacht.

De volgende ontwikkeling dient zich echter al weer aan. Op internationaal niveau praten landen op dit moment over de invoering van een wereldwijde anti-base erosion rule voor internationale betalingen die onvoldoende belast worden. Mochten landen het daarover eens worden, dan zal dat Nederland wellicht dwingen tot verdere aanscherpingen. De nieuwe bronheffing vormt dus niet per se het slotakkoord. En wellicht wordt Nederland straks toch gedwongen definitief afstand te doen van een fiscaal kroonjuweel.

Informatiesoort: Uitvergroot

Rubriek: Internationaal belastingrecht

Dossiers: Prinsjesdag 2019

Focus: Focus

Carrousel: Carrousel

  1828
Gerelateerde artikelen