X heeft pensioen opgebouwd bij het ABP. Het heffingsrecht over de pensioenuitkering is aan Nederland toegewezen. Tevens beschikt X over een lijfrenteaanspraak, waarvoor hij in 2023 een lijfrente aankoopt. In verband met zijn emigratie naar Curaçao in 2021 legt de inspecteur een conserverende IB-aanslag 2021 op aan X. X is het daar niet mee eens. Hij stelt daarbij dat de pensioenuitkering en de lijfrente reeds zijn ingegaan en niet meer kunnen worden afgekocht. Verder is hij van mening dat het heffingsrecht over de pensioenuitkering al aan Nederland is toegewezen, zodat de conserverende aanslag niet noodzakelijk is ter behoud van de belastingclaim.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de conserverende aanslag in verband met de emigratie terecht aan X is opgelegd. Volgens de rechtbank beroept de inspecteur zich met betrekking tot de pensioenaanspraak terecht op art. 3.83 lid 1 Wet IB 2001. Verder volgt uit de wetsgeschiedenis dat het de bedoeling van de wetgever is geweest om ook een conserverende aanslag op te leggen als de pensioenuitkering reeds is ingegaan voorafgaand aan het moment van emigratie en het pensioen in Nederland verzekerd blijft. Voor de lijfrenteaanspraak geldt dat de inspecteur terecht alleen de aftrek van de premies die na 15 juli 2009 zijn betaald heeft teruggenomen op grond van art. 3.136 lid 2 Wet IB 2001. Het gelijk is aan de inspecteur.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.83
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.146
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.136
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 30I
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Internationaal belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 mei
Informatiesoort: VN Vandaag