X woont in België en ontvangt onder andere arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van het UWV en een pensioenfonds. Medio 2024 ontvangt de inspecteur LB-vrijstellingsverzoeken in verband met de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Naar aanleiding van de vrijstellingsverzoeken stelt de inspecteur een onderzoek in naar de IB-aanslagen 2020 - 2023. Omdat uit dit onderzoek blijkt dat deze aanslagen onjuist zijn, legt de inspecteur IB-navorderingsaanslagen op aan X. In geschil is het heffingsrecht over de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat het heffingsrecht over de UWV-uitkeringen over de periode februari 2020 - mei 2020 aan Nederland toekomt. X heeft deze uitkeringen namelijk genoten in de periode voorafgaand aan de beëindiging van zijn dienstverband bij zijn werkgever (art. 18 lid 6 Belastingverdrag Nederland - België). Niet in geschil is dat de UWV-uitkeringen vanaf 1 juni 2020 in België belastbaar zijn. Voor de overige arbeidsongeschiktheidsuitkeringen geldt dat deze zijn betaald uit daarvoor door de Nederlandse Staat in het leven geroepen fondsen. Op grond van art. 19 lid 2 Belastingverdrag Nederland - België is de heffingsbevoegdheid voor deze uitkeringen aan Nederland toegewezen. De rechtbank geeft X nog wel mee dat hij, voor zover de Belgische Belastingdienst meent dat geen sprake is van een pensioen, en dat art. 19 lid 2 Belastingverdrag Nederland - België niet van toepassing is, een onderling overlegprocedure kan initiëren. De rechtbank vermindert de navorderingsaanslagen 2021 - 2023.
Wetingang:
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Sociale zekerheid arbeidsongeschiktheid, Internationaal belastingrecht, Europees belastingrecht
Editie: 18 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag