X woont in Montenegro en ontvangt een AOW-uitkering uit Nederland. X doet aangifte IB/PVV 2021 en geeft € 16.410 aan als belastbaar inkomen uit werk en woning. Vervolgens dient X een herziene aangifte in zonder Nederlands belastbaar inkomen. De inspecteur legt een aanslag IB/PVV 2021 op naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 16.410. X maakt bezwaar en stelt dat het heffingsrecht over de AOW-uitkering aan woonland Montenegro toekomt. De inspecteur verklaart het bezwaar ongegrond. In geschil is of het heffingsrecht over de AOW-uitkering van X als inwoner van Montenegro op grond van het belastingverdrag met voormalig Joegoslavië aan Nederland toekomt.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat art. 18 lid 4 van het belastingverdrag met voormalig Joegoslavië het heffingsrecht over de AOW-uitkering aan Nederland toewijst. De AOW-uitkering is een uitkering in het kader van de publiekrechtelijke regelingen inzake sociale zekerheid in Nederland. De stelling van X dat de aanduiding "die Staat" in het vierde lid Montenegro betreft, slaagt niet. Deze aanduiding slaat terug op Nederland als enige in dat lid benoemde staat. Het beroep is ongegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 7.1
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Internationaal belastingrecht
Editie: 18 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag