Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X in het jaar 2016 slechts de helft van de hypotheekrente in aftrek mag brengen. Nu X en Y beiden de volledige rente in aftrek hebben gebracht, hebben zij geen keuze gemaakt in de zin van de Wet IB 2001. Op grond van art. 2.17 lid 3 Wet IB 2001 wordt dan de helft in aanmerking genomen bij zowel X als Y.

X en zijn echtgenote, Y, emigreren in 2016 naar Duitsland en kopen daar een eigen woning. In hun IB-aangiften brengen zij de hypotheekrente voor de woning in aftrek. X brengt in de IB-aangiften 2016 en 2017 de volledige hypotheekrente in aftrek. In 2018 brengt X geen hypotheekrente in aftrek en in 2019 de helft. Y brengt in 2016 ook de volledige hypotheekrente in aftrek. De inspecteur accepteert de aftrek uiteindelijk niet en legt IB-(navorderings)aanslagen 2016-2019 op.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat X in het jaar 2016 slechts de helft van de hypotheekrente in aftrek mag brengen. Nu X en Y beiden de volledige rente in aftrek hebben gebracht, hebben zij geen keuze gemaakt in de zin van de Wet IB 2001. Op grond van art. 2.17 lid 3 Wet IB 2001 wordt dan de helft in aanmerking genomen bij zowel X als Y. Voor 2017 geldt dat partijen het er over eens zijn dat de navorderingsaanslag moet worden vernietigd. De rechtbank volgt dit standpunt. Voor 2018 heeft X ook slechts recht op aftrek van de helft van de hypotheekrente, omdat Y in dat jaar niet meer de fiscale partner is van X. Voor 2019 volgt de rechtbank ook weer het standpunt van partijen: de aanslag wordt verminderd conform de door X ingediende IB-aangifte.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 2.17

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.111

Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Rubriek: Inkomstenbelasting

Editie: 18 augustus

Informatiesoort: VN Vandaag

238

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen