X en zijn (toenmalige) echtgenote verzoeken in 2020 om de toepassing in de IB-sfeer van de ab-doorschuifregeling in verband met het schenken van aandelen in een BV aan hun dochter. In het kader van de toepassing van de doorschuifregeling spitst het geschil zich toe op de vraag welk deel van de overdrachtsprijs toerekenbaar is aan het ondernemingsvermogen van de vennootschap.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat € 700.000 aan liquide middelen ten tijde van de schenking niet overtollig was, zodat het ondernemingsvermogen in zoverre wordt verhoogd. Gelet op de omvangrijke investeringen die zijn gedaan in de jaren erna acht de rechtbank aannemelijk dat het bedrag is bedoeld en aangewend voor de materiële onderneming. Met betrekking tot twee beleggingen – een verhuurd bedrijfspand en een verhuurde woning – is geen sprake van ondernemingsvermogen. Voor het bedrijfspand is niet voldaan aan de arbeid-plus- en rendement-plus-toets en de woning werd slechts aangehouden in afwachting van mogelijke projectontwikkeling. Het beroep is deels gegrond.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.17C
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 16
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 1 oktober
Informatiesoort: VN Vandaag