Hof Amsterdam oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat hij een onbelaste kostenvergoeding ontvangt. Het hof stelt vast dat de buitenlandse luchtvaartmaatschappij de werkgever is in civielrechtelijke zin en dat uitsluitend een door die werkgever overeengekomen vergoeding kan kwalificeren als gerichte vrijstelling.

X werkt als piloot op passagiersvliegtuigen van een buitenlandse luchtvaartmaatschappij via een uitzendconstructie. Via deze uitzendconstructie wordt X door een buitenlands salarisadministratiekantoor, waar X als mededirecteur is ingeschreven, via een uitzendbureau voor piloten geplaatst bij de luchtvaartmaatschappij. In zijn aangifte IB/PVV 2018 heeft X als binnenlandse belastingplichtige een belastbaar loon van € 22.995 aangegeven, terwijl het salarisadministratiekantoor voor X een belastbaar loon van € 85.004 doorgeeft aan de Belastingdienst. De inspecteur wijkt bij het opleggen van de aanslag IB/PVV 2018 daarom af van de aangifte. X gaat in bezwaar in beroep, omdat hij meent dat een deel van het door het salarisadministratiekantoor aangeven inkomen bestaat uit onbelaste kostenvergoedingen. Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat X niet aannemelijk dat hij onbelaste kostenvergoedingen heeft genoten omdat dit geen noodzakelijke kosten betreffen die zijn gemaakt met het oog op een behoorlijke vervulling van de dienstbetrekking.

Hof Amsterdam oordeelt dat X niet aannemelijk maakt dat hij een onbelaste kostenvergoeding ontvangt. Het hof stelt vast dat de buitenlandse luchtvaartmaatschappij de werkgever is in civielrechtelijke zin en dat uitsluitend een door die werkgever overeengekomen vergoeding kan kwalificeren als gerichte vrijstelling. Het dossier bevat geen informatie waaruit blijkt dat de luchtvaartmaatschappij met X afspraken maakt over kostenvergoedingen. Daarnaast tonen de betalingen via het salarisadministratiekantoor geen overeenstemming tussen de luchtvaartmaatschappij als werkgever en X als werknemer over vergoedingen. Het belastbaar loon blijft daarom € 85.004. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank. X’ hoger beroep is ongegrond.

[Bron Uitspraak]

Wetingang:

Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 3.82

Burgerlijk Wetboek Boek 7 artikel 610

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 6

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A

Instantie: Hof Amsterdam

Rubriek: Loonbelasting, Arbeidsrecht, Inkomstenbelasting

Editie: 20 mei

Informatiesoort: VN Vandaag

9

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen