X en Y verzoeken om ambtshalve vermindering van hun IB-aanslagen 2018 - 2020. De inspecteur wordt in gebreke gesteld en wijst de verzoeken vervolgens af, omdat ze te laat zijn ingediend. De inspecteur merkt daarbij ook nog op dat X en Y in 2017 - 2020 geen (positief) arbeidsinkomen hadden, zodat in die jaren geen recht bestaat op een inkomensafhankelijke combinatiekorting.
Rechtbank Noord-Nederland oordeelt dat de verzoeken om ambtshalve vermindering terecht zijn afgewezen wegens termijnoverschrijding. Wel is het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden omdat de inspecteur X en Y niet in de gelegenheid heeft gesteld om zich uit te laten over de reden voor de termijnoverschrijding. De rechtbank honoreert wel het verzoek van X en Y op een dwangsom. De rechtbank verwerpt daarbij de stelling van de inspecteur dat de verzoeken kennelijk zijn afgewezen en dat daarom geen dwangsom is verschuldigd. Uit de beschikkingen volgt namelijk dat de inspecteur de verzoeken heeft afgewezen. De inspecteur heeft de verzoeken dus niet kennelijk afgewezen. Verder heeft de inspecteur ook inhoudelijk naar de verzoeken gekeken en is inhoudelijk zorgvuldig onderzoek gedaan. Wegens samenhang stelt de rechtbank de dwangsom vast op € 1442.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 9.6
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 60
Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3
Algemene wet bestuursrecht artikel 4.17
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Instantie: Rechtbank Noord-Nederland
Rubriek: Inkomstenbelasting, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 20 mei
Informatiesoort: VN Vandaag