X en haar broer, Y, zijn de erfgenamen van hun moeder. Aan Y zijn de aandelen in A BV gelegateerd, met de verplichting om een kwart van de waarde aan X uit te keren. Hierbij wordt de waarde aangehouden die voor de erfbelasting in aanmerking komt. De inspecteur stelt de waarde voor de erfbelasting vast op € 500.000. X acht deze waarde te laag en stelt dat de aandelen € 800.000 waard zijn.
Rechtbank Gelderland oordeelt dat X een procesbelang heeft en verklaart het beroep van X daarom niet niet-ontvankelijk. Omdat dit procesbelang evenwel een civielrechtelijk belang is, en dus niet is gelegen in de hoogte van de aanslag, wordt het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank overweegt daarbij dat X een hogere aanslag erfbelasting bepleit en dat dat in strijd is met het verbod op reformatio in peius. X mag namelijk met betrekking tot de aanslag niet in een slechtere positie komen. De rechtbank gaat verder nog in op het beroep van X op art. 54 SW 1956. Omdat X zelf al een rechtsingang heeft, is een beroep instellen op grond van dit artikel niet nodig.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.69
Instantie: Rechtbank Gelderland
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 17 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag