Een werkgever die achteraf een vaste kostenvergoeding toekent, kan daarvoor niet alsnog de gerichte vrijstellingen toepassen. Dat volgt uit een standpunt van de Kennisgroep loonheffing algemeen over een werkgever die in september 2025 besloot werknemers met terugwerkende kracht vanaf 1 april 2025 een vaste kostenvergoeding van € 50 per maand toe te kennen.

De werkgever liet voorafgaand aan de uitbetaling een kostenonderzoek uitvoeren. Op basis daarvan werd op 1 december 2025 vastgesteld dat de vergoeding qua hoogte aannemelijk was. Toch kan de vergoeding over de periode van 1 april tot en met november 2025 niet worden aangemerkt als een vaste vergoeding in de zin van art. 31a lid 4 Wet LB 1964.

Volgens de Kennisgroep moet een vaste vergoeding zijn gebaseerd op een onderzoek naar kosten die werknemers nog moeten maken. Het kostenonderzoek heeft daarmee een onderbouwende functie voor toekomstige kosten. Dat het onderzoek vóór het genietingsmoment van de vergoeding is verricht, is onvoldoende wanneer de betreffende kosten al zijn gemaakt.

Wel kan de werkgever de daadwerkelijk gemaakte kosten alsnog gericht vrijgesteld vergoeden op declaratiebasis, mits hij aannemelijk maakt dat de werknemers deze kosten hebben gemaakt.

Wetingang:

Wet op de loonbelasting 1964 artikel 31A

[Nieuwsbron]

Rubriek: Loonbelasting

Regelgevende instantie: Belastingdienst

Editie: 29 september

Informatiesoort: VN Vandaag

4

Inhoudsopgave van deze editie

Gerelateerde artikelen