De heffingsambtenaar legt X een naheffingsaanslag parkeerbelasting op voor het parkeren op 12 oktober 2023. De heffingsambtenaar verklaart het bezwaar van X bij uitspraak op bezwaar van 1 november 2023 ongegrond. De beroepstermijn eindigt op 13 december 2023. X dient pas op 25 maart 2025 een beroepschrift in bij de rechtbank. X verklaart dat hij in 2023 twee advocatenkantoren benadert die hem niet kunnen bijstaan, waarna hij de moed verliest. Later ontdekt X dat hij zelfstandig kan procederen. De uitspraak op bezwaar bevat een bijlage met de beroepsmogelijkheden. In geschil is of de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaart wegens overschrijding van de beroepstermijn.
Hof Den Haag oordeelt dat het beroepschrift te laat is ingediend op grond van art. 6:9 Awb. X bestrijdt het oordeel van de rechtbank over de verschoonbaarheid niet dan wel onvoldoende gemotiveerd en voert geen nieuwe feiten of omstandigheden aan. Het beroep op een wetswijziging uit 2013 die ontvankelijkheid mogelijk zou maken, is het hof niet bekend en X verwijst niet naar een concrete vindplaats. Het hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
Wetingang:
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.7
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.9
Algemene wet bestuursrecht artikel 6.11
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 26C
Instantie: Hof Den Haag
Rubriek: Belastingen van lagere overheden, Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 17 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag