X is gehuwd met Y, die 100% aandeelhouder is van X BV. X dient de aangifte IB/PVV 2021 in zonder opgave van inkomen uit aanmerkelijk belang. Y dient een herziene aangifte in waarin een dividenduitkering van € 200.000 is aangegeven, waarvan € 5374 aan Y en € 194.624 aan X wordt toegerekend. Uit de aangiften vennootschapsbelasting en dividendbelasting van X BV blijkt dat het dividend op 21 december 2021 ter beschikking is gesteld. De inspecteur legt aan X een navorderingsaanslag op naar een belastbaar inkomen uit aanmerkelijk belang van € 194.624. X maakt bezwaar en stelt dat de uitkering zonder AVA-goedkeuring heeft plaatsgevonden en als onvrijwillige uitkering moet worden terugbetaald.
In geschil is of de inspecteur terecht het aan X toegerekende deel van de dividenduitkering als inkomen uit aanmerkelijk belang navordeert.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelt dat de dividenduitkering belastbaar is omdat deze op 21 december 2021 ter beschikking is gesteld. Het ontbreken van AVA-goedkeuring doet niet ter zake, nu een daadwerkelijke vermogensverschuiving van X BV naar de aandeelhouder heeft plaatsgevonden waarvan beide partijen zich bewust zijn. Een eventuele toekomstige terugbetaling kwalificeert als kapitaalstorting en heeft geen invloed op de belastbaarheid, nu X niet aannemelijk heeft gemaakt dat een terugbetalingsverplichting aan de uitkering is verbonden. De navorderingsaanslag blijft in stand.
Wetingang:
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.12
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.43
Wet inkomstenbelasting 2001 artikel 4.10
Instantie: Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Rubriek: Inkomstenbelasting
Editie: 17 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag