X verleent als ondernemer diensten op het vlak van (ver)bouwen, budgettering en bouwcoördinatie. In 2012 koopt hij een woonboerderij voor € 820.000. De boerderij wordt nog niet geleverd, maar X gaat deze eerst huren. In 2016 wordt de boerderij door X verkocht voor € 1,8 mln. In 2019 stelt de inspecteur vragen over deze gang van zaken. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden maakt de inspecteur niet aannemelijk dat X ten tijde van het informatieverzoek (mei 2019) nog beschikte over de in de informatiebeschikking genoemde e-mails. De beschikking wordt daarom vernietigd. X krijgt een forfaitaire proceskostenvergoeding van € 1897,50. X verzoekt om herziening. Hij stelt op basis van nadien verkregen stukken van de Belastingdienst dat het onderzoek al in 2018 was gestart. Deze stukken zijn niet ingebracht in de procedure over de informatiebeschikking. X is van mening dat hij recht heeft op vergoeding van zijn werkelijke proceskosten.
Hof Arnhem-Leeuwarden wijst het herzieningsverzoek af, ondanks dat uit de nieuwe stukken blijkt dat de inspecteur in 2019 al geen nieuw feit meer had. Navordering was namelijk nog steeds mogelijk geweest bij kwade trouw van X. Het stond dus niet vast dat het opleggen van een navorderingsaanslag redelijkerwijs niet mogelijk was, zodat de inspecteur bij het afgeven van de informatiebeschikking niet tegen beter weten in of in vergaande mate onzorgvuldig heeft gehandeld. Het maakt ook niet uit dat na interventie van het zogenaamde “Escala-team” in een – kennelijk bindende – second opinion van een ander kantoor van de Belastingdienst zonder nadere toelichting wordt gemeld dat uit het dossier niet is gebleken dat sprake zou zijn van kwade trouw.
Wetingang:
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52A
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 47
Algemene wet inzake rijksbelastingen artikel 52
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.75
Algemene wet bestuursrecht artikel 8.119
Instantie: Hof Arnhem-Leeuwarden
Rubriek: Fiscaal bestuurs(proces)recht
Editie: 17 augustus
Informatiesoort: VN Vandaag