A-G IJzerman is van mening dat de bedrijfsopvolgingsfaciliteit in strijd is met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod voor zover de vrijstellingen hoger zijn dan 75%. De A-G stelt voor om rechtsherstel te verlenen door 25% van de particuliere verkrijging uit 2011 alsnog vrij te stellen.

Erflater, de heer A, overlijdt in 2011. Belanghebbende, de heer X (zijn zoon), is één van de erfgenamen. De verkrijging van X bestaat enkel uit een overbedelingsvordering van € 185.679 op zijn moeder. Niet in geschil is dat de nalatenschap van A geen ondernemingsvermogen bevat als bedoeld in art. 35c lid 1 Successiewet 1956. Aangezien de verkrijging door X van ondernemingsvermogen in 2011 voor 100% zou zijn vrijgesteld voor de (thans) erf- en schenkingsbelasting, beroept X zich op het IVBPR en het EVRM, alsmede op het Eerste Protocol bij het EVRM. Rechtbank Oost-Nederland stelt X in het ongelijk. X gaat in (sprong)cassatie. Dit is één van de zes proefprocedures. Voor de andere zaken geldt de aanwijzing van ‘massaal bezwaar' (art. 25a AWR) conform het Besluit van 23 oktober 2012, nr. BLKB2012/1665M.

Advocaat-Generaal IJzerman is van mening dat de faciliteit in strijd is met het internationaal verankerde gelijkheidsbeginsel en discriminatieverbod voor zover de vrijstellingen hoger zijn dan 75% van het ondernemingsvermogen. De A-G meent dat de (voorwaardelijke) vrijstelling van 75%, die gold in 2007, 2008 en 2009, nog niet ‘manifestly without reasonable foundation' was, maar de onderhavige (voorwaardelijke) vrijstelling van 100% is dat volgens hem wel. Vanaf 2010 is de vrijstelling namelijk 100% voor het eerste € 1 miljoen (2011: € 1.006.000) en 83% voor het meerdere. De wetgever moet een vrijstelling draagkrachtig motiveren op straffe van schending van internationale discriminatieverboden. De huidige faciliteit is ingevoerd en uitgebreid zonder dat daaraan degelijk financieel onderzoek ten grondslag heeft gelegen. Organisaties uit het bedrijfsleven hebben er gewoon jarenlang voor gelobbyd. De A-G stelt daarom voor om aan X rechtsherstel te verlenen door 25% van zijn verkrijging alsnog vrij te stellen. De aldus resterende heffing is een ordelijke heffing die niet is te vergelijken met enige vorm van ordeloze onteigening. Er is dus voor het overige geen strijd met art. 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. De A-G concludeert tot gegrondverklaring van het beroep van X.

[Bron Uitspraak]

Wetsartikelen:

Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 26

Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 14

Successiewet 1956 35c

Editie: 3 oktober

Instantie: Hoge Raad (Advocaat-Generaal)

Rubriek: Europees belastingrecht, Fiscaal bestuurs(proces)recht, Schenk- en erfbelasting

Informatiesoort: VN Vandaag

  19
Inhoudsopgave van deze editie
Gerelateerde artikelen